Geschiedenis

Het zware leven van de peelwerkers: turven in de modder

Gepubliceerd op 19 april 2026 · Peelgebied.nl · ~1000 woorden leestijd
Standbeeld De Turfsteker van Theo van Brunschot in Deurne
De Turfsteker, sculptuur van Theo van Brunschot in Deurne — CC BY-SA 4.0 / WoodenSpoon via Wikimedia Commons

De peelwerkers zijn de vergeten helden van het Brabantse landschap. Generaties lang staken zij dag in dag uit turf uit het Peelveen, met blote handen en zware spades, wij natte voeten en een karig loon. Zonder hun arbeid zouden steden als Den Bosch, Venlo en Eindhoven in de negentiende eeuw letterlijk koud zijn gebleven. Toch staat hun naam nergens in de geschiedenisboeken — alleen in de romans van Toon Kortooms en in de stille petgaten die hun werk achterliet.

Wie waren de peelwerkers?

De term 'peelwerker' of 'turfsteker' sloeg op seizoensarbeiders — overwegend mannen, maar ook vrouwen en kinderen — die elk jaar in het voorjaar naar de Peel trokken voor het arbeidsintensieve turfseizoen. Ze kwamen uit de armste gezinnen in de zandstreekdorpen rondom de Peel: uit Gemert, Helmond, Venray, Helden en tientallen andere kleine gemeenten waar de bodem te arm was voor voldoende voedselproductie.

In de piekperiode van de turfwinning (1860–1900) trokken elk voorjaar duizenden arbeiders naar de Peel. De grootste werkgevers waren de Maatschappij Helenaveen (opgericht 1853) en de Maatschappij De Peel (opgericht 1878). Op het hoogtepunt werkten er bij Helenaveen alleen al ruim 2.200 mensen in het seizoen april–september.

Een dag in het leven van een turfsteker

De werkdag begon bij zonsopgang — omstreeks 4:30 uur in de zomertijd — en eindigde bij zonsondergang. Er was geen vaste pauze: arbeiders aten hun roggebrood staand of zittend op de veenrand. Het werk verliep in een vast ritme:

  1. Het steken: met de turfspade (een breed, vlak gereedschap met een horizontale trede voor de voet) werd een sleuf gegraven. Elke steek produceerde een plagge van ca. 30 x 15 x 10 cm, die naast de gegraven put werd gegooid.
  2. Het keren: na twee tot drie dagen werden de plaggen omgedraaid zodat de onderkant ook kon drogen. Dit lichtere werk was voor vrouwen en ouderen.
  3. Het stapelen: na een week of twee werden de half-gedroogde plaggen op rijen gezet om verder te drogen in de wind. Elke arbeider kende zijn eigen rijen en was verantwoordelijk voor de kwaliteit van zijn product.
  4. Het vervoer: gedroogde turf werd per kruiwagen of schip afgevoerd. Langs de kanalen lagen losplaatsen waar turfschippers wachtten om de lading te vervoeren richting de grote steden.

Een ervaren turfsteker stak per dag tussen de 2.000 en 3.000 plaggen — ruim tien ton veen. Dat is lichamelijk werk van de zwaarste categorie, in een omgeving vol muggen, brandende zon en natte grond.

Loon, kost en huisvesting

Het loon

In 1880 bedroeg het dagloon voor een volwassen mannelijke turfsteker gemiddeld 55–70 cent. Vrouwen verdienden 30–45 cent, kinderen 20–30 cent. Dat klinkt weinig — en dat was het ook. Een kilo roggebrood kostte 15 cent, een liter melk 8 cent. Na betaling van kost en inwoning hield een arbeider soms nauwelijks 10 cent per dag over.

Op de meeste complexen werd een deel van het loon uitbetaald in bonenгeld — tokens die alleen inwisselbaar waren in de kantinewinkel van de maatschappij. Dit systeem bond de arbeider aan de werkgever en maakte eerlijke concurrentie op de voedselmarkt onmogelijk. Na protesten van vakbonden en sociaal-democraten werd het systeem na 1900 geleidelijk afgeschaft.

Kost en inwoning in de barak

Seizoensarbeiders woonden in barakken: houten of later gemetselde gebouwen die op het turfcomplex stonden. Een barak herbergde 20–50 man in slaapzalen met stapelbedden. Het eten was eenvoudig en karig: roggebrood, aardappelen, erwtensoep, zelden vlees. De koffie was de enige luxe: elke arbeider droeg zijn eigen blikken koffiepot mee en zette die de hele dag aan de rand van het vuur.

Drinkwater was een zorg: men haalde het uit de sloten, die ook als toilet dienden. Dysenterie, typhus en huidziekten waren frequent. Dokters bezochten de kampen zelden — en dan alleen als een werkgever begreep dat zieke arbeiders niet werkten.

Kinderarbeid in de Peel

Kinderarbeid was tot het begin van de twintigste eeuw gewoon in de Peel. Kinderen van 10–14 jaar werkten mee bij het keren en stapelen van turf. De Leerplichtwet van 1900 verbood dit voor kinderen onder de 12 jaar, maar in de praktijk werd de wet op de turfcomplexen slecht gehandhaafd. Kinderen liepen het seizoen mee omdat het gezinsinkomen anders onvoldoende was.

Pas na de Eerste Wereldoorlog verbeterde de situatie merkbaar, mede door het werk van de Rooms-Katholieke Arbeidersbeweging (RKAV) die in de Peel actief werd en betere lonen, veiligheidsregels en schoolbezoek afdwong.

Het monument: De Turfsteker in Deurne

Op de Markt in Deurne staat het bronzen beeld De Turfsteker, gemaakt door de beeldhouwer Theo van Brunschot. Het beeld toont een voorovergebogen man met een turfspade — een eerbetoon aan alle naamloze arbeiders die de Peel hebben leeggesteken. Het is dagelijks te zien en gratis toegankelijk. Meer over de bredere geschiedenis van de turfwinning lees je in ons overzichtsartikel.

Wie waren de peelwerkers?
Peelwerkers waren seizoensarbeiders die elk voorjaar vanuit de armere zandstreekdorpen van Noord-Brabant en Limburg naar de Peel trokken om turf te steken. Ze werkten van april tot september en keerden in de herfst terug naar hun gezin met een bescheiden seizoenloon, soms deels uitbetaald in bonnen.
Hoeveel verdiende een turfsteker in de 19e eeuw?
Een doorsnee turfsteker verdiende in 1880 circa 50–70 cent per dag. Na aftrek van kost en inwoning in de kampbarak hield hij nauwelijks iets over. Vrouwen en kinderen verdienden minder, ca. 25–40 cent per dag, voor het keren en stapelen van gedroogde turfblokken.
Wat aten en dronken de peelwerkers?
Het dagelijkse menu bestond uit roggebrood, aardappelen, erwtensoep en op zondag soms spek. Vlees was zeldzaam. Koffie was de enige luxe: elke arbeider had een blikken koffiepot die de hele dag op het vuur stond. Drinkwater haalde men uit de sloten, wat regelmatig tot maag- en darmklachten leidde.
Hoe woonden de peelwerkers in de Peel?
Seizoensarbeiders woonden in houten of gemetselde barakken op het turfcomplex. Een barak herbergde doorgaans 20–50 man in slaapzalen met stapelbedden. In de veenkolonies als Griendtsveen en Helenaveen waren er permanente rijtjeswoningen voor vaste arbeiders met gezin.
Zijn er musea over het leven van de peelwerkers?
Ja, het Peellandmuseum in Deurne (Haageijk 2, geopend di–vr 13:00–17:00 en za 10:00–17:00) heeft een uitgebreide collectie over het dagelijks leven van de turfsteker, inclusief werktuigen, kleding en persoonlijke verhalen. In Griendtsveen is het erfgoedcentrum gevestigd in een historisch kanalenpakhuis.