Geschiedenis

Zes eeuwen turfwinning in de Peel: het verhaal van het zwarte goud

Gepubliceerd op 19 april 2026 · Peelgebied.nl · ~1000 woorden leestijd
Actief hoogveen met veenmos in de Peel
Actief hoogveen met het Erico-Sphagnetum magellanici — CC0 / Industrees via Wikimedia Commons

De turfwinning in de Peel is een van de meest ingrijpende menselijke interventies die het Nederlandse landschap ooit heeft ondergaan. Gedurende meer dan zes eeuwen — van de late middeleeuwen tot diep in de twintigste eeuw — groeven generaties turfsteken het hoogveen weg dat tienduizenden jaren nodig had gehad om te groeien. Het resultaat is een landschap dat ons vandaag omringt: open, waterrijk, doorsneden door rechte kanalen en bezaaid met sporen van arbeid die zelfs door schrijvers als Toon Kortooms is vereeuwigd.

Van middeleeuwse turfstekers tot industriële winning

De vroegste vermeldingen van turfwinning in de Peel stammen uit de veertiende eeuw. Dorpen als Asten, Deurne en Meijel verwierven van de hertog van Brabant het recht om veen te steken in de uitgestrekte moerassen die zich destijds over meer dan 100.000 hectare uitstrekten. Het was kleinschalig werk, gedaan door boeren in de winter als de akkers braak lagen. Ze staken plaggen, stapelden ze op rijen om te drogen — dit heette 'turven' — en vervoerden de gedroogde blokken op karren naar de dichtstbijzijnde markt.

In de zeventiende en achttiende eeuw nam de vraag naar turf sterk toe. Steden als Den Bosch, Venlo en Eindhoven groeiden en hun bewoners hadden brandstof nodig voor verwarming en bakkerijen. Het Peelveen werd steeds systematischer ontgonnen. Kleine kanaaltjes werden gegraven om de turf per schuit af te voeren — efficiënter dan met de kar over zandwegen.

De kanaalperiode: 19e-eeuwse industrialisering

De echte doorbraak kwam in de negentiende eeuw, toen ondernemers grotere kanalen lieten graven die de Peel ontsloten voor de industriële winning. Het Defensiekanaal (aangelegd 1823–1826) en later het Peelkanaal (1853) maakten het mogelijk om turfschepen van Deurne tot aan de Maas te laten varen. Langs de kanalen schoten nieuwe dorpen op als paddenstoelen: Griendtsveen (1885), Helenaveen en Zeilberg. Dit waren de zogenaamde veenkolonies: planmatig gebouwde arbeidersplaatsen met identieke rijtjeshuizen, een kantinetje, een winkel en een kerk — alles ten dienste van de turfproductie.

De Maatschappij Helenaveen, opgericht in 1853 door de Amsterdamse koopman Hendrik van der Grijn, was de grootste speler. Op het hoogtepunt in 1890 werkten er ruim 2.000 arbeiders, waarvan een groot deel seizoenarbeiders uit de arme zandstreken van Brabant en Limburg. Ze trokken in het voorjaar naar de Peel, staken van zonsopgang tot zonsondergang turf en keerden in de herfst terug met hun weekloon — dat op veel plaatsen deels in bonnen werd uitbetaald waarmee ze alleen in de kantinewinkel konden kopen.

Het leven van de turfsteker

De arbeidsomstandigheden waren ruw. Een turfsteker maakte per dag duizenden steken met de zware turfspade, een gereedschap met een breed, vlak blad dat speciaal voor dit werk was gesmeed. Het werk was nat: de veenlaag lag doorgaans onder een laag drassig water dat voortdurend wegge-pompt moest worden. Rubberlaarzen bestonden nog niet — de arbeiders droegen klompen of lompen om hun voeten.

Het loon was karig: gemiddeld 50–70 cent per dag in 1880, waarvan al snel een groot deel opging aan kost en inwoning in de provisorische barakken. Kinderen vanaf twaalf jaar werkten mee. Vrouwen en ouderen deden het lichtere werk van het keren en stapelen van de drogings-rijen. Dit harde sociale leven inspireerde schrijver Toon Kortooms, wiens romans als Behouden Vaart (1949) de turfperiode onsterfelijk maakten.

Het einde van de turfwinning

De neergang begon omstreeks 1900. Steenkool, die per trein goedkoop beschikbaar was, verdrong turf als stadse brandstof. Na de Eerste Wereldoorlog werd ook aardgas een concurrent. Bovendien was het veen simpelweg op: wat in de middeleeuwen een laag van soms 5–7 meter dik was, was in veel gebieden volledig weggegraven. De laatste grote turfwinning in de Peelregio stopte omstreeks 1958, waarna de resterende veengebieden werden opgekocht door Staatsbosbeheer en beschermd als natuurreservaat.

In 1994 werd de Groote Peel aangewezen als nationaal park. In 2000 verwierf het gebied de Natura 2000-status. Een radicale ommekeer: van de meest geëxploiteerde bodem van Nederland naar een van de meest beschermde.

Sporen van de turfwinning vandaag

Wie door het Peelgebied wandelt, fietst of rijdt, ziet overal de littekens van de turfwinning:

Wanneer begon de turfwinning in de Peel?
De georganiseerde turfwinning in de Peel begon omstreeks de 14e eeuw, toen dorpen als Asten en Deurne rechten verwierven om veen te steken. De grootschalige industriële winning startte pas in de 19e eeuw met de aanleg van de Peelkanalen en de komst van arbeiders uit de arme veendorpen.
Hoe werd turf gewonnen in de Peel?
Turfsteken gebeurde handmatig met een speciale spa, de zogenaamde turfspade. De veen-plaggen werden gesneden, gedroogd op rijen op het veld en daarna via kanaal of kar afgevoerd naar steden als Den Bosch, Venlo en Eindhoven als brandstof.
Waarom is de turfwinning gestopt in de Peel?
De winning stopte gefaseerd tussen 1920 en 1960, toen steenkool en later aardgas goedkopere energiebronnen werden. Bovendien was het meeste veen al opgestookt. De resterende gebieden werden in de tweede helft van de 20e eeuw beschermd als natuurreservaat en nationaal park.
Wat zijn veenkolonies in de Peel?
Veenkolonies zijn planmatig aangelegde dorpen langs kanalen die speciaal gebouwd werden voor turfarbeiders. Griendtsveen en Helenaveen zijn de bekendste voorbeelden in het Peelgebied. Ze zijn herkenbaar aan hun rechte straten, identieke arbeiderswoninkjes en sluizen langs het kanaal.
Waar zie ik nu nog sporen van de turfwinning in de Peel?
In Griendtsveen (beschermd dorpsgezicht) en Helenaveen zijn de kanalen, sluizen en oude fabrieksgebouwen nog intact. Langs de Deurnese Peel zijn diepe petgaten zichtbaar. In het Peellandmuseum in Deurne zijn werktuigen en foto's van de turfperiode te zien.